Schrijven als een Neanderthaler
Posted on | januari 24, 2012 | No Comments
Toen de status van een vrouw nog in de eerste plaats werd bepaald door haar burgerlijke staat, bestond er een streng onderscheid tussen ‘juffrouw’ en ‘mevrouw’. Een ongetrouwde vrouw werd – ongeacht haar leeftijd – aangesproken met ‘juffrouw’; een getrouwde met ‘mevrouw’. Vandaag de dag is dit verschil vrijwel verdwenen. Het heeft plaatsgemaakt voor een onderscheid naar leeftijd en functie. Alleen jonge verkoopsters en serveersters worden nog met ‘juffrouw’ aangesproken.
Taal weerspiegelt de maatschappij, dus óók de verhoudingen tussen de seksen. Als gevolg van de emancipatie maakte het traditionele ‘Mijne heren’ boven een brief plaats voor ‘Geachte heer, mevrouw’ en andere varianten die vrouwen niet langer buitensluiten. Meer en meer vrouwen wijzen exclusief vrouwelijke beroepsnamen af: zij zijn geen psychologe, redactrice of verslaggeefster, maar psycholoog, redacteur en verslaggever. Ook de Dikke Van Dale is meegegaan met de tijd. In een aantal opeenvolgende drukken luidden de voorbeelden bij afwas aanvankelijk: ‘De meid is aan de afwas’, vervolgens ‘Zij is aan de afwas’ en ten slotte ‘Hij heeft de afwas weer laten staan.’
Deze veranderingen zijn ook voor ons schrijvers van belang. Daarom behandel ik hier de beknopte etiquette voor het hedendaags schrijven. U wilt uiteindelijk niet meer schrijven als een Neanderthaler. Het gaat daarbij specifiek om twee soorten taalgebruik:
- taal die stereotype beelden van mannen en vrouwen weerspiegelt;
- taal die vrouwen onzichtbaar maakt.
Seksistische stereotypen
Uitdrukkingen als het zwakke geslacht, de schone sekse, vrouwelijke logica en de vrouwtjes zijn gemakkelijk. Die behoren tot de categorie: direct de mond spoelen met groene zeep.
Lastiger wordt het bij de minder in het oog lopende stereotypen, zoals bijvoorbeeld volstrekt irrelevante beschrijvingen van lichamelijke kenmerken. Een muziekrecensent van de Volkskrant opende een aantal jaren geleden zijn bespreking van een concert waarbij de Russische componiste zelf aanwezig was met de weinig prozaïsche zin: ‘In haar jonge jaren schijnt Galina Oestvolskaja een begerenswaardige vrouw te zijn geweest.’ Verder noemde hij haar onder meer ‘een gespannen ogend dametje’ en ‘zo’n simpel ogend vrouwtje uit St. Petersburg.’
In dezelfde sfeer liggen bijzonderheden over het privéleven.
Waarom wel bij een vrouwelijke minister melden dat zij ook moeder is, maar niet bij haar mannelijke collega dat hij ook vader is. Denk ook eens na over zinnen als: ‘De pioniers trokken met hun vrouwen en kinderen naar het westen’; ‘Amerikanen gebruiken veel schuttingtaal, maar niet als er vrouwen in de buurt zijn’; en: ‘De mens heeft vele levensbehoeften. Hij moet voedsel zoeken, kweken of kopen. Hij moet zijn vrouw en kinderen verzorgen.’
Taal die vrouwen onzichtbaar maakt
Iedere attente schrijver kan taal vermijden die platte vooroordelen weerspiegelt. Het is minder eenvoudig om de tweede soort taalseksisme uit te bannen, omdat die in de woorden zelf schuilt.
Vrouwen, is een vaak gehoorde klacht, zijn onzichtbaar in taal, omdat de zogenaamde ‘neutrale’ vorm als regel ook de mannelijke is.
De woorden chirurg en premier verwijzen naar functies die zowel door mannen als door vrouwen kunnen worden bekleed. Maar waar denkt u het eerst aan bij een zin als: ‘U kunt woensdag om 11.00 uur terecht bij de kaakchirurg, dokter Zwart’ of ‘De IJslandse premier heeft vanmiddag een persconferentie gegeven over het geëscaleerde IceSaveconflict’? Precies. Op dit verschijnsel zijn twee reacties mogelijk:
- ‘Artsen en regeringshoofden zijn nu eenmaal meestal mannen. Zodra dat verandert, zal ook niemand meer bij een woord als chirurg automatisch aan een man denken.’
- ‘Met zo’n fatalistische houding verandert er nooit iets! We moeten het probleem bij de wortel aanpakken en de taal veranderen waarin de ongelijke verhoudingen zijn vastgelegd. Dan gaat iedereen vanzelf anders denken.’
Feministen die de laatste visie huldigden, hebben voor het onzichtbaarheidsprobleem radicale oplossingen verzonnen. Deze oplossingen hebben allemaal gemeen dat zij sterk van het gangbare taalgebruik afwijken en vrouwen nadrukkelijk zichtbaar maken. Zo gebruikt een minderheid uitsluitend vrouwelijke vormen (‘de mens en haar wereld’); een even bewuste en weinig omvangrijke avantgarde wisselt hij en zij per bladzijde of per hoofdstuk af.
Nog opvallender zijn de volledig nieuwe woorden. Bobbye D. Sorrels stelde in The Non-sexist Communicator in alle ernst voor om Uncle Sam te vervangen door Aunt Lee and Uncle Sam. Niet-discriminerende zelfbouwwoorden worden ook in Nederland van tijd tot tijd voorgesteld: voor hij/zij bijvoorbeeld xij, voor zijn/haar zaar of heur, voor hem/haar haam.
Ondanks de lacherige reacties zijn deze kunstwoorden soms wel succesvol. Zo zijn chairperson en chair (in plaats van chairman) inmiddels in brede kring geaccepteerd. In Nederland is al langere tijd een trend zichtbaar in de richting van neutrale beroepsaanduidingen. Ook woorden als bewindspersoon en menskracht zijn intussen veel gangbaarder geworden.
Over het algemeen zullen dergelijke taalveranderingen slechts in beperkte mate van invloed zijn op de verhouding tussen de seksen. Taal geeft niet het goede voorbeeld, maar volgt de maatschappelijke werkelijkheid.
Tags: emancipatie > feminisme > Herman Hiemstra > lezersgericht schrijven > met de tijd meegaan > Neanderthalers > Nederlandse taal
Alles wat je weten moet over taalniveau B1
Posted on | januari 19, 2012 | 2 Comments
Door: Martin Damen
Taaldeskundigen voeren al tijden een discussie over taalniveaus. Uit die discussie kun je opmaken, dat de deskundigen het niet eens zijn over welk taalniveau we moeten hanteren voor begrijpelijke taal. Ook wordt geconcludeerd dat veel ingewikkelde materie van bijvoorbeeld overheidsinstanties of verzekeringsmaatschappijen niet op taalniveau B1 te schrijven is, en dat we beter voor B2 kunnen kiezen. Maar toch … veel organisaties verlangen teksten op B1-niveau.
Welke taalniveaus zijn er en hoe komen we eraan?
De taalniveaus die we in Nederland hanteren, zijn vastgelegd op Europees niveau. Voor de goede orde: het gaat om taalniveaus voor het aanleren van een nieuwe taal. Je kunt dus op z’n minst vraagtekens zetten bij het in taalhokjes plaatsen van mensen als het gaat om de moedertaal. Maar goed … De taalniveaus zijn vastgelegd in het Common European Framework of reference for languages (CEFR). Er zijn drie niveaus:
Niveau A
- A1 Heb je niveau A1, dan ben je een basisgebruiker die een paar woorden van de taal kent. Dat is bijvoorbeeld als je in Praag op vakantie bent en je hebt met behulp van je Lonely Planet een ‘pivo’ besteld in het Tsjechisch.
- A2 Heb je niveau A2, dan kun je communiceren over simpele en alledaagse taken, maar behoor je nog wel tot de groep basisgebruikers.
Niveau B
- B1 Als je niveau B1 bereikt, dan kun je zonder voorbereiding een gesprek voeren over dagelijkse onderwerpen, zoals familie of hobby’s.
- B2 Bereik je niveau B2, dan kun je de hoofdgedachte van een ingewikkelde tekst begrijpen en een spontaan gesprek voeren met moedertaalsprekers.
Niveau C
- C1 Heb je niveau C, dan ben je een vaardig gebruiker. Op niveau C1 kun je veeleisende, lange teksten begrijpen en jezelf vloeiend uitdrukken.
- C2 Wie een taal op niveau C2 beheerst, kan zonder moeite deelnemen aan welk gesprek of welke discussie dan ook. Je kunt een ingewikkeld betoog houden.
B1
In een slimme marketingcampagne heeft Bureau Taal veel organisaties ervan weten te overtuigen dat B1 het niveau is dat de meeste Nederlanders begrijpen (60%). Ook zijn die organisaties ervan overtuigd geraakt dat teksten op B1-niveau per definitie begrijpelijk zijn. En dus trekken de communicatieafdelingen van die organisaties de conclusie dat als hun teksten op B1-niveau zijn, hun communicatie daarmee begrijpelijk is. En daar gaat het – in my holy opinion - mis. Om de communicatie van overheden, banken, verzekeringsmaatschappijen, telecombedrijven etc. te kunnen begrijpen, is veel meer nodig dan teksten op B1-niveau! Sommige wetten en regelingen zijn immers zo ingewikkeld dat ze ook niet te begrijpen zijn in eenvoudige taal. Neem bijvoorbeeld het Nederlandse belastingstelsel, of de factor A die je nodig hebt om je jaarruimte te berekenen voor de aftrek van bijvoorbeeld lijfrentes. Totale abracadabra! Sterker nog: door gebruik te maken van taalniveau B1 ontbreekt soms de nuance en – erger nog – de logica en volgorde. Jentine Land toonde dat aan in haar proefschrift Zwakke lezers, sterke teksten? Effecten van tekst- en lezerskenmerken op tekstbegrip en tekstwaardering van vmbo-leerlingen.
Begrijpelijkheid van teksten hangt van meer af dan taal alleen
De populariteit van B1 heeft voor tekstschrijvers en communicatieadviseurs zo z’n voor- en nadelen. Aan de ene kant is het natuurlijk een voordeel dat er bij veel organisaties aandacht is voor begrijpelijk taalgebruik en begrijpelijke communicatie. Aan de andere kant is het een nadeel dat begrijpelijk schrijven verworden lijkt tot een trucje dat iedereen zou kunnen leren: je past een paar richlijnen toe op een tekst (korte zinnen, weinig lange woorden, geen figuurlijk taalgebruik etc.) en voila … hij is begrijpelijk. Maar zo werkt het helaas niet. Wie begrijpt z’n Uniform Pensioenoverzicht (UPO), wie begrijpt z’n salarisstrookje, wie begrijpt het jaarlijkse overzicht van z’n woekerpolis en wie snapt er iets van het jaaroverzicht van z’n energieleverancier?
Vakmanschap is meesterschap
Was het maar zo dat een paar trucjes toepassen begrijpelijke teksten opleverde. Zoals Véronique Hoste van de Hogeschool Gent al op tekstblog schrijft: ”leesbaarheid is subjectief: de attitude en de voorkennis van de lezer hebben een aantoonbare invloed op zijn of haar tekstbegrip”. Het liefst wil ik helemaal van de discussie over taalniveaus. Op welk taalniveau een tekst geschreven is, zegt zo verschrikkelijk weinig over de begrijpelijkheid. Of een tekst te begrijpen is, wordt namelijk bepaald door 4 ingrediënten (ik herhaal ze uit een van mijn vorige artikelen):
- begrijpelijke taal begrijpelijke communicatie begint met begrijpelijke taal. Schrijf in gewonenmensentaal op wat je wil zeggen en wat je wil dat mensen doen.
- context/voorkennis Maar het is minstens zo belangrijk om mensen mee te nemen in je boodschap. Waarom wil je dat mensen iets doen? Als je begrijpt waarom iemand iets van je wil, ben je eerder geneigd het te doen.
- dosering Breng één of hooguit twee boodschappen tegelijk . Lukt dat niet, vat dan in ieder geval samen wat je van iemand wil (call to action).
- volgorde Communiceer in de juiste volgorde. Zorg dat je processen naadloos op elkaar aansluiten waardoor de ontvanger blijft begrijpen wat de bedoeling is.
B1 = geen begrijpelijke communicatie
B1 levert niet per definitie begrijpelijke communicatie op. Sterker nog: voor veel mensen is het B1-niveau té simpel (zie ook het interview van Ingmar Vriesema met Peter Zuijdgeest in het NRC Handelsblad). Bovendien is begrijpelijk taalgebruik maar een onderdeel van begrijpelijke communicatie. Geen onbelangrijk onderdeel, maar denk vooral niet: “onze teksten zijn B1, dus onze communicatie is begrijpelijk”.
Interessante artikelen en links
- B1 is niet voor iedereen
- Heldere taal voorkomt problemen
- Pleidooi voor duidelijke taal niet altijd even helder
- nederlandsalstweedetaal.nl
- Taalniveau – Wikipedia
Tags: B1 > begrijpelijke taal > Bureau Taal > CEFR > Common European Framework of reference for languages > context > dosering > Hogeschool Gent > Ingmar Vriesema > Jentine Land > Martin Damen > NRC Handelsblad > Peter Zuijdgeest > structuur > taalniveau > tekstbegrip > tekstblog > Véronique Hoste > volgorde > voorkennis
Politiek correcte taal: een linguïstisch moeras
Posted on | januari 18, 2012 | No Comments
Sommige Nederlanders verafschuwen discriminatie op grond van huidskleur zo hartstochtelijk, dat ze het liefste alle uitdrukkingen met het woord ‘zwart’ in de ban zouden doen. Aan het eind van de jaren tachtig leidde de vrijlating van Duitse oorlogsmisdadigers tot veel emotie in de samenleving. In een brief aan de Volkskrant was indertijd het volgende te lezen:
‘Toen de heer Minco namens het samenwerkend verzet de dag van de vrijlating van de Twee van Breda “een zwarte dag” noemde, verschoot ik van kleur. Had hij niet kunnen weten dat hij met zijn uitspraak de vooroordelen omtrent zwarten en kleurlingen versterkt?’
De schrijfster van deze brief (en haar geestverwanten) bezitten de fijngevoeligheid van de prinses op de erwt. Dwars door alle onschuldige betekenissen van zwart heen voelen zij het racisme in hun rug prikken.
Nu vinden bezwaren tegen zwarte dagen en zwart geld weinig medestanders, maar minder vergaande uitingen van deze gevoeligheid zijn dagelijks te horen en te lezen.
Kun je vandaag de dag nog iemand met goed fatsoen een neger noemen? Of negerin? Tegenwoordig zeggen we toch liever zwarte (man), respectievelijk zwarte (vrouw). Een enkeling heeft het over mensen van kleur, en links in de marge is blank, met al zijn bijklanken van onbevlekt en onschuldig, vervangen door wit. Het onbehagen over jood en Turk is algemeen: dat worden dus joodse en Turkse mensen. Marokkanen mogen gewoon Marokkanen blijven, omdat hun naam – in tegenstelling tot Turk – niet ook als scheldwoord wordt gebruikt.
Vrijwillige zelfcensuur
Dit streven om besmette woorden voor huidskleur en afkomst, geslacht, seksuele voorkeur en lichamelijke en geestelijke (ik bedoel: verstandelijke) handicaps uit te bannen, staat bekend als politieke correctheid (PC). Politieke correctoren roepen iedereen die schrijft op om zich te onderwerpen aan vrijwillige zelfcensuur.
Moeten we ons daar iets van aantrekken? Weinig! Natuurlijk mag iedereen uiteindelijk zelf bepalen hoe hij of zij genoemd wil worden. Vervolgens getuigt het van respect als wij daar dan ook daadwerkelijk rekening mee houden. Blind is ontactisch als uw lezers de voorkeur geven aan visueel gehandicapt. Ouderen (vroeger: bejaarden) kúnnen zich meer gerespecteerd voelen door de betiteling senioren. Maar toch wil ik u het advies meegeven om in algemene publicaties voor een breed publiek zeker niet voor de radicaalste oplossing te kiezen.
Wie is er gebaat bij PC?
Dat is een vraag die niet gemakkelijk kan worden beantwoord. Taalkundig gaat politieke correctheid (PC) uit van een onjuist idee over de verhouding tussen de maatschappij enerzijds en de vorm en betekenis van woorden anderzijds. Een woord in geschreven vorm is gewoon een reeks letters die van zichzelf niets betekent. Woorden krijgen hun betekenis door de manier waarop zij worden gebruikt. En die betekenis kan natuurlijk veranderen.
Het verlangen om besmette woorden te vervangen door neutrale is begrijpelijk, maar het effect van zo’n schoonmaakbeurt is heel beperkt. Nette woorden leiden niet automatisch tot nette gedachten. Het verband is eerder andersom. Als er vooroordelen bestaan tegen een groep mensen, dan worden nieuwe namen voor die groep telkens opnieuw gekleurd door die vooroordelen.
Dit gebeurde bijvoorbeeld met de termen gastarbeiders, migranten en buitenlanders. Ook een met de beste bedoelingen gelanceerd alternatief als mensen van kleur zou bij algemeen gebruik al snel een negatieve bijklank krijgen. Aan de andere kant lijkt allochtonen al enige tijd onaangetast als neutrale term te functioneren.
Verlangen de minderheden zelf eigenlijk wel naar nieuwe namen? Begin jaren negentig wees onderzoek onder zwarte Amerikanen uit dat 70% van hen liever met black aangeduid wilde worden, dan met het in die tijd zeer populaire African-American. Het zijn juist de zaakwaarnemers die zich het drukst maken over het juiste woord.
Tags: Herman Hiemstra > jargon > lezersgericht schrijven > minderheden > Nederlandse taal > onduidelijk > parlementariërs > politici > wanbegrip > zaakwaarnemers
Gevangenen van taal: Ons talige realistische wereldbeeld (deel 1 van 6)
Posted on | januari 17, 2012 | 1 Comment
Door: Aad Breed
Al door het zeggen van het woord,
Deelt men, scheidt men en schendt.
Het alomvattende, dat men niet kent.
Dat ik aanwezig weet of alleen maar vermoed.
Dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet.
Dat mij beheerst en te luisteren gebiedt.
Maar als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.
Ons talige realistische wereldbeeld
- Realisten geloven en handelen vanuit de overtuiging, dat er allemaal aparte van elkaar gescheiden dingen bestaan, onafhankelijk van een waarnemer. Ze noemen hun wereldbeeld objectief /realistisch en geloven stellig dat taal de werkelijkheid weergeeft. Maar kunnen we met taal wel de werkelijkheid weergeven?
- En bestaat alles wel uit deze van elkaar gescheiden starre objecten, of is binnen het universum (allesomvattende) alles juist onafscheidelijk met elkaar verbonden en veranderlijk? Bestaan de onveranderlijke essenties van Plato, of is er juist sprake van permanente overgang, waarbij er geen essenties bestaan, zoals Heraklites beweerde? Is er in de werkelijkheid sprake van ZIJN (statische objecten) of van WORDEN (alles stroomt, zonder statische objecten)? Volgens de logica sluiten deze twee wereldbeelden elkaar uit, want één van deze twee wereldbeelden kan maar waar zijn. Want ofwel iets bestaat onverbonden, onbeweeglijk en onveranderlijk, en dus op-zichzelf, ofwel iets bestaat verbonden, beweeglijk en veranderlijk, en dus niet op-zichzelf. Welke van de twee wereldbeelden is waar?
Mijn stelling is, dat taal scheidt, wat in de werkelijkheid onafscheidelijk is. Taal hakt de werkelijkheid onterecht in starre objecten (beelden). Het is synoniem met scheiding/discriminatie en strijdig met de wetenschappelijke ontdekkingen. In de werkelijkheid zijn er alleen maar verschillen, en geen dingen.
Taal suggereert onterecht het bestaan van dingen-op-zichzelf. De illusie van het bestaan van starre objecten wordt veroorzaakt door naamgeving. Het realistische wereldbeeld bestaat uitsluitend en alleen tussen onze oren. Het gelooft in dingen die er niet zijn, en brengt de “realistische” analytische alpha-filosofie voort, waar we al eeuwen mee tobben. Deze filosofieën zijn doelgericht en vol tegenstrijdigheden, zoals de analytische Westerse Filosofie, de modernen, de monotheïstische godsdiensten en de westerse economie.
Lees ook deel 2: Het niet-talige wetenschappelijke wereldbeeld.
Tags: Aad Breed > Abel Herzberg > filosofie > Plato > taal en werkelijkheid > wetenschap