Zijn eufemismen erger dan clichés?

Posted on | juni 28, 2012 | No Comments

Als ik mijn oude uitgave van het Stijlboek van de Volkskrant erop nasla, vind ik onder de noemer ‘eufemisme’ een welgemeende waarschuwing. Over het algemeen keurt zij het gebruik ervan af, mits het gaat om woorden die kunnen kwetsen. 

Lijk is een goed Nederlands woord, maar een kopje als Lijk gevonden kan keihard aankomen. Soms is het beter om te spreken van stoffelijk overschot of lichaam.’  Om dezelfde reden kom je in de Volkskrant zelden de benaming uitkeringstrekkers tegen. In plaats daarvan wordt de benaming uitkeringsgerechtigden gebruikt.
Of een eufemisme de meest gepaste formulering is, hangt helemaal af van de context.

Wipkamertje
De Taaladviesdienst van het Genootschap Onze Taal ontving ooit van een Vlaamse gevangenisdirectie de vraag: ‘Bestaat er een benaming voor het kamertje waar gevangenen seksueel contact kunnen hebben met hun partner?’ Na enig speurwerk kon Onze Taal melden dat in de gevangenissen zelf de term wipkamertje in zwang is.’ In beleidssstukken gebruikt men echter liever de formele variant: ‘ruimte voor bezoek zonder toezicht’.

‘Eufemismen van de goede bedoelingen’
De voorbeelden in dit artikel zijn – om een term te lenen van Van Dale-redacteur Hans Heestermans ‘eufemismen van de goede bedoelingen.’ Eufemismen van de goede bedoelingen wekken minder ergernis dan eufemismen ‘van de kwade bedoelingen’.

Kwade bedoelingen hebben militaire communiqués die doden en bombarderen vervangen door neutraliseren en pacificeren. Te kwader trouw is ook een volzin als: ‘Wij zien af van de continuering van het dienstverband met de betreffende medewerker.’ (ofwel: ‘Ik heb Hiemstra ontslagen.’)

Eufemismen in de politiek
Ergerniswekkende eufemismen woekeren in de politiek. Niet alleen omdat politici afhankelijk zijn van hun kiezers, die graag een optimistische boodschap horen, maar ook omdat ze afhankelijk zijn van elkaar. Met name in een compromisdemocratie als de Nederlandse gebruikt men graag woorden die zo vaag zijn, dat ze zowel door de eigen partij als door de coalitiepartners worden aanvaard.

Zo wordt het totaal aan werklozen omgedoopt tot arbeidsreserve, en kan bijstellen uit de mond van een minister ‘fors bezuinigen’ betekenen. Politici die volledig van mening veranderen, spreken van een accentverschuiving. Of een politicus wel eens liegt kan ik het beste illustreren aan de hand van een citaat van Charles Schwietert die bij een kabinetsformatie uit het begin van de jaren tachtig een benoeming tot staatssecretaris na enkele dagen moest opgeven. Hij had zich een academische titel aangemeten, die hij niet had. In een halfslachtige poging om zijn gezicht te redden zei hij: ‘Ik ben wel eens wat elastisch met de feiten’.

Gebruik eufemismen nooit om de lezer te misleiden maar uitsluitend om de lezer te ontzien. Verzachten mag, voorliegen niet.

Is de leesbaarheid van een tekst objectief te meten?

Posted on | juni 21, 2012 | 1 Comment

Toen de Tweede Wereldoorlog in alle hevigheid woedde, heeft het Amerikaanse ministerie van Defensie – zonder het aanvankelijk zelf te weten – een grote bijdrage geleverd aan de taalkunde. Voor elk stuk oorlogstuig moest namelijk een handleiding komen. Deze goudmijn voor (technisch) schrijvers zadelde de opdrachtgevers op met een enorm probleem. Hoe konden zij op een niet al te tijdrovende manier de kwaliteit van al die handleidingen controleren? 

Als eerste stap werd de leesbaarheid van een aantal tekstfragmenten bepaald door een groep proefpersonen daarover een leestest af te nemen. Daarna analyseerde men de teksten op alle mogelijke eigenschappen die van invloed zouden kunnen zijn op  de leesbaarheid. Dit waren eigenschappen zoals het aantal voorzetselgroepen, de percentages ‘gemakkelijke’ en ‘moeilijke’ woorden en de gemiddelde zinslengte.
Daarna werd statistisch onderzocht in hoeverre deze eigenschappen inderdaad effect hadden op de leesbaarheid. En met een nieuwe statistische bewerking ging men ten slotte na tot op welke hoogte de eigenschappen aanwezig mochten of konden zijn om een tekst leesbaar te kunnen noemen voor een bepaalde groep lezers met een bepaald scholingsniveau.

Rudolf Flesch
Velen meenden de gouden toverspreuk te pakken te hebben toen ze kennismaakten met de beroemde leesbaarheidsformule van de Amerikaanse schrijfadviseur Rudolf Flesch. In zijn bestseller The art of readable writing (1949) presenteerde hij zijn klassieke formule waarin het aantal te meten eigenschappen was teruggebracht tot twee. De formule ging als volgt:

Leesgemak = 206,84 – (0,85 x het aantal lettergrepen per 100 woorden) – (1,02 x gemiddelde zinslengte)

Wat moet u doen om de formule van Flesch toe te passen?

Neem een tekstfragment van 1oo woorden. Tel van dat fragment het gemiddelde aantal woorden per zin, en het gemiddelde aantal lettergrepen. Vul deze gegevens in de formule in, en de formule voorspelt welk publiek (met welk opleidingsniveau) de tekst met gemak kan lezen.

W.H. Douma
Voor de toepassing binnen het Nederlands heeft de landbouwsocioloog ir. W.H. Douma deze formule ‘uit de losse pols’ aangepast door van beide constanten 10% af te trekken. Zijn overweging daarvoor was dat het Engels minder woorden nodig heeft dan het Nederlands. ook tellen Nederlandse woorden gemiddeld meer lettergrepen.
Maar is Engels wel exact 10% bondiger dan het Nederlands?  Als rechtvaardiging verwees Douma alleen naar de toenmalige redacteur van Het Beste die bij het opnemen van vertaalde artikelen uit het moederblad Reader’s Digest rekening hield met een uitbreiding van 10 procent. Controles hebben uitgewezen dat er door de redactie van Het Beste weliswaar rekening wordt gehouden met uitbreiding, maar dat er nooit meer dan 5% wordt ingecalculeerd. Zou het Nederlands wellicht compacter zijn geworden? Of zijn de beide getallen slechts ruwe schattingen. Ik kan het u niet vertellen. Maar één ding is wel zeker: de precisie van de formule is eigenlijk dubieus.

De Flesch-Doumaformule gaat als volgt:

Leesgemak = 206,84 – (0,77 x woordlengte) – (0,93 x zinslengte)

De aldus verkregen scores kwantificeerden de tekst naar de volgende opleidingsniveaus:

  • 0-30: academici
  • 30-50: studenten
  • 50-60: hoger middelbaar onderwijs
  • 60-70: lager middelbaar onderwijs
  • 70-80: groep 8 basisschool
  • 80-90: groep 7 basisschool
  • 90-100: groep 6 basisschool
De formules hebben vooral in de Verenigde Staten grote invloed gehad. Flesch lichtte ook schoolboeken door en adviseerde redacties van tijdschriften en kranten.
In Nederland is de waardering nooit zo groot geweest, al hebben veel docenten hun cursisten met eenvoudige rekensommen gewezen op eigenaardigheden in hun schrijfstijl.
 
Leesbaarheidsformules zijn erg algemeen en weinig betrouwbaar. Ze geven op geen enkele manier een betrouwbaar houvast voor het verbeteren van de beoordeelde tekst.
 
Lees ook: Hoe meetbaar is leesbaarheid? van Véronique Hoste

Hét misverstand over schrijven: schrijven en inspiratie

Posted on | juni 14, 2012 | 1 Comment

Het verhaal wil dat Archimedes zijn wet over het gewicht van lichamen in water pas kon opstellen toen hij zijn eigen lichaam in water dompelde (Eureka!). Newton werd door een vallende ster op het idee gebracht van de zwaartekracht. En de ontdekkers van het DNA – Crick en Watson – vonden hun dubbele helix door een blik op een wenteltrap in een restaurant.

Drie sterke staaltjes van inspiratie, een wondermiddel waarvan vaak gezegd wordt dat het voor tekstschrijvers onontbeerlijk is. Het kan echter niet vaak genoeg herhaald worden: de inspiratie komt tijdens het schrijven en – nog véél belangrijker – door het schrijven. Het schrijven omvat meer dan de pen over het papier of de vingers over de toetsen laten bewegen.  Het gaat door als u onder de douche staat, een boterham smeert of naar de tv kijkt. Broedend. Ergens in uw achterhoofd, in uw onderbewustzijn groeit de tekst.

Archimedes en Newton waren geen mazzelaars
Inspiratie, als er al zoiets bestaat, komt niet uit het niets. Archimedes en Newton waren geen mazzelaars die zomaar een natuurwet in de schoot geworpen kregen. Ze hadden hun leven gewijd aan natuurkundig onderzoek. Geconcentreerd nadenken over de organisatie van de verkeersleiding op Schiphol, het ontstaan van de Rastafari-beweging op Jamaica, of je verdiepen in de achttiende-eeuwse Franse theekoepeltjesarchitectuur is geen garantie voor heldere en nieuwe ideeën over die onderwerpen, maar wel een voorwaarde.  Nieuwe ideeën zijn meestal een onverwachte verbinding van oude ideeën. Met andere woorden: je moet eerst de oude ideeën kennen. Ga dus nooit passief op inspiratie wachten!

U hebt een berg aantekeningen, u denkt ergens diep over na, praat erover met vrienden of collega’s en plotseling weet u hoe u verder moet. Dat wordt inspiratie genoemd.

Overal is materiaal te vinden
Onze ervaring is dat we – als we ergens aan werken -  op allerlei plaatsen (in de krant, op tv, op straat) materiaal vinden dat we daarmee in verband kunnen brengen. Onze aandacht wordt gericht. Zorg er daarom voor dat u, als u ergens ingespannen aan werkt, altijd pen en papier bij u hebt.

Wie een artikel of een boek schrijft, is een groot deel van de tijd niet bezig met het achter elkaar zetten van letters. Daar staat de schrijver in de rij voor de kassa van de supermarkt. Wat doet hij? Hij schrijft!

Misschien staat de schrijver in die rij voor de kassa omdat hij niet durft te beginnen. Tegenover de vruchtbare pauze staat het onvruchtbare uitstel. De geest is niet ontspannen en open, maar gevuld met irrationele weerstanden. De schrijver wordt verlamd door faalangst, door huiver voor het definitieve van een ongeschreven tekst en door een te groot perfectionisme in een vroeg stadium – hij heeft schrijfkramp.

Inspiratie moet u afdwingen. Door hard aan uw stuk te werken en er voortdurend mee bezig te zijn – ook als u niet achter uw pc zit. (Gerrit Komrij: ‘Op de wc kom ik altijd tot de prachtigste ingevingen’)

Goed kijken is te leren

Posted on | juni 8, 2012 | No Comments

Een ‘schrijversoog’ voor details is geen uniek talent. Goed kijken is te leren. Er bestaat zelfs een recept voor aansprekende beschrijvingen. Het is afkomstig uit een leerboek: Het journalistieke verhaal.

  • Breng je eerste, algemene indruk onder woorden; zoek daarna naar een persoonlijke, maar tegelijkertijd herkenbare indruk van wat je waarneemt.
  • Formuleer de dominante indruk, het thema van de beschrijving.
  • Kies details die de dominante indruk ondersteunen; let erop dat de mens meer zintuigen heeft dan zijn ogen.
  • Gebruik concrete en specifieke bewoordingen.

Ik zal dit ‘recept’ onderbouwen met een portretje van Jan Renkema, geschreven bij gelegenheid van de verkoop van het driehonderdduizendste exemplaar van zijn roemruchte Schrijfwijzer.

De deur van zijn werkkamer op de Tilburgse Letterenfaculteit is aan de binnenkant behangen met citaten over taal, ter bemoediging van studenten die zijn spreekuur verlaten. Het zijn motto’s van iemand die weet hoe broos het begrip is dat taal tussen mensen schept: ‘Speech is but broken light upon the dept of the unspoken’ (George Eliot). Enige tijd geleden schreef Renkema een boekje over de waarde van stilte. Tijdens het interview onderbreekt hij zichzelf regelmatig met de vraag: ‘Zeg ik het wel duidelijk?’

Het interview- waaruit ik citeerde- ging over Renkema’s rol als autoriteit in taalzaken: voor schrijvend Nederland heeft de Schrijfwijzer het laatste woord in kwesties van spelling en grammatica (is het geluidhinder of geluidshinder, werd of  werden onze verwachtingen de bodem ingeslagen?).
De dominante indruk was in dit geval: een onverwacht onautoritaire autoriteit. Iemand die zijn eigen gezag in taalkwesties en zelfs het belang van taal graag relativeert.

Hetzelfde recept op abstracte onderwerpen
Het recept dat hierboven is gebruikt voor het typeren van een mens, kan ook worden toegepast op abstracte onderwerpen. In mijn studietijd (eind jaren zeventig) speelde ‘Het Ik-Tijdperk’ heel erg binnen de samenleving. Dit label was geleend van de Amerikaanse schrijver en journalist Tom Wolfe, die het had over The Me-decade.

In het kader van zelfontplooiing als hoogste doel schreef John Jansen van Galen in de toenmalige Haagse Post ooit eens een artikel over het sterk toegenomen autogebruik:

En toen konden we met z’n allen in de auto, wat zeg je me daarvan? Als we allemaal zo’n vijfdeurs namen, was er ook gezellig plaats voor onze vier miljoen huisdieren, de kinderen met een stripboek op de achterbank en dan knus in de file. Een dagje naar het pretpark in Slagharen, of de safari-tuin in de buitenwijken van Arnhem, of naar Wim en Ans in hun nieuwe drive-in-woning aan de Karweizaaddreef te Vianen.  Even in de leefkuil een glaasje Shandy drinken, prik met een ietsje alcohol.
Maar toen we er waren, wist opa niet meer of het nou Heerhugowaard was of Zoetermeer of Ede, en dat valt ook niet mee met al die woonerven en sierbestratingen en spoorbielzen in de tuin.

Ook Jansen van Galen maakt zijn indrukken zichtbaar met representatieve details. Waar een minder geoefend schrijver blijft steken in abstracties als burgerlijkheid, gezapigheid en consumptiemaatschappij – die de schets minder dwingend zouden maken – noemt Jansen van Galen details waaruit die algemeenheden kunnen worden afgeleid: zoals de straatnaam ‘Karweizaaddreef’ een nieuwbouwwijk uit de jaren zeventig kenmerkt, roept ‘leefkuil’ het interieur op dat daarbij hoort.

Het geheim van aansprekende beschrijvingen schuilt in het bepalen van een dominante indruk, die zichtbaar wordt gemaakt met concrete details.

« 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 ... 163 »
« go backkeep looking »
  • RSS-feed

  • Categorieën

  • Archief